Author: Boudewijn

  • Epiloog !

    Er wordt soms grappend verteld, dat Chinezen een tuinstoel stelen door hem alle dagen in je tuin 5 cm te verschuiven. Op een mooie dag, is ‘t ie weg en je had het niet in de gaten. Mij is net hetzelfde overkomen: zo’n eind fietsen, van Senlis naar Trier, oh la la, maar elke dag een stukje en kijk, zie daar, voilà, wir sind jetzt in Trier angekommen , 674 vuige kilometers heeft Ferus achter de hoeven. 😎

    Doch we spoelen even terug naar het begin van de epiloogdag: hedenmorgen had ik de indruk dat ik meemaakte, wat de hardrock groep Deep Purple ooit meemaakte in het Zwitserse Montreux. Het in lichterlaaie staande casino van Montreux aan het meer van Genève veroorzaakte behoorlijk wat rook en de geboorte van Deep Purple’s meest bekende nummer “Smoke On The Water”:

    Naast Beaufort heb je de Hallerbachvallei waar de mist was blijven hangen. Alhoewel de jeugdherbergbaas aanraadde om langs daar naar de vallei van de Sure te fietsen, vond ik ( en het Princessengeestje en Ferus) het niet leuk om door de mist te rijden, en dus reden we even rond langs Dillingen. Een beetje omweg, maar het was bergaf… lachende gezichten alom. Bye bye, leuke jeugdherberg…

    Eens in de Surevallei, werden we uitermate verwend door een fantastisch fietspad, een snelweg als het ware, en dankzij de uitstekende bewegwijzering, stonden we in een minimum van tijd in Echternach ( de Letzeburgers spreken van Esjternasj). Het kerkuiltje op onze schouder werd even wakker en we moesten en zouden even de abt onze groeten overmaken. Wat een kersvers, gehuwde graaf kan meemaken.

    In de annalen van Saint Bertin werden er in de 9e eeuw meer woorden opgeschreven m.b.t. een aardbeving dan over de geboorte van een prinses. We konden ons even inleven, toen we de gevolgen van een aardverschuiving aanschouwden:

    Een vermanend tikje van het Judithgeestje op onze schouder deed ons herinneren aan het belang, neen, Het Grote Belang, van de geboorte van het prinsesje, 18 jaar geleden…

    Zoals al eerder vermeld, verdient het G.H.Luxemburg de prijs voor beste fietspaden. Zeg nu zelf, een volledig aangelegde weg in de heuvelflank, ettelijke meters hoger dan de hoofdweg, schitterend toch? Ferus en begeleider konden hun geluk niet op.

    Dat de Luxemburgers voorzien zijn van technisch vernuft, konden we een paar mijlen verder aanschouwen. Dat dit ding, in casu de Sauertalbrücke, blijft staan en dan nog behoorlijk wat verkeersgewicht kan dragen, gaat ons helmpje te boven.

    Ter hoogte van Langsur, steken we de Sure over en betreden behoedzaam Germaans grondgebied. Een beetje verder zijn we getuige van de samenvloeiing van de Sure, pardon, nu Sauer, en de Mosel. Een rivier van een lichtelijk ander kaliber, zo te oordelen aan de boeien en de voorbijschuivende aken.

    Echter, we hebben het zelfde probleem als bij de Maas: we moeten erover geraken! Geen eilandjes, of onverzettelijke overzetters deze keer, ook geen kasteelheren waarmee valt te onderhandelen. We laten Ferus rustig voortdraven, hij heeft er duidelijk zin, de heden morgen gesmeerde ketting rikketikt vrolijk over de tandwielen.

    Aha, in de verte zien we de “Römische Brücke” of “Römerbrücke” en dat geeft ons de kans om Trier te betreden.

    (foto Berthold Werner CC BY-SA 3.0)

    En wat er soms werd verteld tijdens de kampvuren met de andere ridders toen we Lodewijk de Stamelaar ( broer van het geestje dat tijdelijk op mijn schouder leeft) nog dienden, het grote Romeinse bouwwerk is inderdaad indrukwekkend. Daar is ze dan de Porta Nigra en ook onze terminus.

    Ferus was niet te paaien voor een fotosessie, de zwarte haver en de warme stal in de herberg vond ie veel te behaaglijk om nog een hoef te verzetten. Bij deze zijn we, zoals vermeld aan het begin van dit stukje, pardoes in Trier aangekomen… voetje voor voetje of liever hoefje voor hoefje…

    De etappe van de dag was:

  • Moien !

    Ha, dit wist ik al uit een andere epische tocht doorheen het G.H. Luxemburg! Of het nu ochtend, middag of avond is, de Letzeburgers begroeten elkaar met “Moien!”. Onderweg begroeten we de wandelaars en fietsers – voor zover we die tegenkomen – met “Moien!”.

    De voorbije dagen laten zich voelen en Ferus rijdt behoorlijk beter en liever op een deftige asfaltlaag en het in het alkoofje op mijn schouder worden de hobbelende wegen met stenen en keien ook niet meer geapprecieerd. Bijgevolg nemen we een, denken we, gemakkelijkere weg naar Ettelbrück. Onderweg passeren we burcht van Esch sur Sure.

    We draaien net voor de burcht de tunnel in, daar aangelegd om het verkeer niet door Esch sur Sure te laten passeren. Het fluisterasfalt vindt Ferus en ruiter zeer aangenaam en we vorderen aan een leuke snelheid van 15 km/u. Eens voorbij Heiderscheidergrund, wordt het menens. De bordjes langs de weg zeggen dat er de volgende 3 km te klimmen valt: 7% gemiddeld. Zoals eerder opgemerkt, wijst het Princessengeestje ons erop dat we Ferus er in een lage versnelling moeten op laten klauteren. Wanneer we bijna op 513 m hoogte zijn ( we komen van 250m) hoor ik een kirrend kreetje van bewondering op mijn schouder. Ha, het landschap is fantastisch van hier.

    Wanneer we het hoogste punt hebben bereikt, vlammen we linea recta naar Ettelbrück en in sneltreinvaart belanden we in het stadje. Ferus’ remmen schreeuwen het uit, want op sommige momenten moeten we in de remmen knijpen om niet geflitst te worden ( limietsnelheid =50km/u).

    Vanaf Ettelbrück volgen we de fietsroute die uiteindelijk naar Echternach leidt, maar zo ver draven we niet vandaag. Het gaat vlotjes want de fietspaden zijn een droom in G.H. Luxemburg. Zelfs onder een lichte regenval, is het nog leuk fietsen. We gebruiken de brug om ons in het droge om te kleden…

    en vervolgen langs het leuke fietspad:

    Ter hoogte van Bettendorf ( schoon kasteel aldaar, maar ‘t zal voor een ander keer zijn, hoor, Judithje), nemen we een scherpe rechtse bocht en zetten koers naar Eppeldorf. Na overleg met Ferus en het Princessengeestje, lijkt ons dat een iets gemakkelijkere weg dan de oorspronkelijke.

    Dachten we…

    Na een ijselijk moeilijke klim van gemiddeld 9% belanden we op een plekje waar we geruime tijd uit blazen. De hellingen zijn dan even stevig als in de Ardennen, de wegen liggen er hier een pak beter bij!

    Even verder moeten we weer even pauzeren, gelukkig is daar een pracht van een kastanjelaar die ons even beschutting biedt.

    Het Judithzieltje begint een een beetje te bibberen, want de regen en de minder aangename temperatuur doet ons rillen. Het kan ook de honger zijn. Na een moeizame tocht naar Beaufort, belanden we eindelijk aan de jeugdherberg. Er is geen stoppen aan, het Princessengeestje wil meteen onder een warme douche en ze rommelt in mijn reistassen naar een verse chainse en bliand. Bij gebrek aan een meereizende hofdame (Claramond, kon jammer genoeg niet meekomen) moet ze het doen met haar grafelijke echtgenoot :-): Neen, Boudewijn, eerst de chainse en dàn de bliand! Van vrouwelijke kledij heb je niet veel kaas gegeten, hé slimmeke! Bon, lijdzaam doe ik wat er gevraagd wordt en na enkele minuten komt ze uit een doosje 🥰

    La route de jour:

  • Het venijn zit in de staart

    Gisteren waren wij, het Princessengeestje, Ferus en ik super blij dat we over de kam van de Ardennen zaten, maar zoals de titel al verraadt, het venijn zit ‘em in de staart.

    We waren blijkbaar niet goed wakker ( misschien door de luidruchtige Poolse prof wielrenners die in dezelfde jeugdherberg gelegerd waren) en Ferus had het ook niet in de mot: we snorden aan een gezapige snelheid over het biljartasfalt doch na een mijl of 3 kwam de gewenste zijstraat niet opdagen. Consultatie van de stafkaart deed het ergste vermoeden, we waren naar La Roche aan het fietsen i.p.v. naar Champlon dorp. OK, rechtsomkeer en dat betekent klimmen. Nou, moe.

    Afijn, à la guerre comme à la guerre. Tot overmaat van ramp(je) hadden we geen kaart van het gebied rond Bastogne maar we hadden daags voordien wel een en ander voorbereid. Dus de route ging volgens mijn geschreven routebeschrijving langs Tenneville, Wembay , Trèsfontaines, Wyompont, Givroulle, Givry, Rouette, Champs om uiteindelijk in Bastogne te belanden. Tussen elk van de voorgaande dorpjes kan je een onnozel riviertje tegenkomen, maar dat betekent dat je eerst aan lichtsnelheid de vallei in duikt, een brugje van niemendal passeert en dan mag je weer de vallei uit “klefferen”. De Rue de l’Assence in Givroulle zal lang in mijn geheugen gegrift blijven: super steil en ondanks aanmoedigingen van het Judithzieltje moesten we twee keer op adem komen.

    Eens voorbij de brug onder de E25 snelweg, begon het wat te miezeren en de knorrende maag van het zieltje op mijn schouder deed ons afstappen aan een lokale afspanning in Bastogne. Ferus kon ook wat rust gebruiken want van al die afdalingen stonden de remmen roodgloeiend en krijsten om rust.

    Bij het verlaten van Bastogne zagen we een rare combinatie van artefacten:

    ”La Chapelle de Notre Dame de Bonne Conduite” … met ervoor een geschutskoepel van een afgedankte Amerikaanse tank. Waar is de relatie met “goed gedrag”?

    We hobbelen voort door de af en toe opduikende miezer en wanneer we de grens met het G.H. Luxemburg oversteken merken Ferus en ik dat de wegen er behoorlijk beter op worden. Het wordt een stuk rustiger en we kunnen bijna een half uur in het midden van de weg de natuur bewonderen.

    Een eindje verder moeten we pardoes de remmen dichtknijpen want – je gelooft het nooit – er staat een verkeerslicht midden in de natuur. Naast een walmende voorhistorische motor wachten we braafjes op groen. De reden wordt vlug duidelijk: de weg over de stuwdam is maar één auto breed.

    en het verkeerslicht heeft blijkbaar geen sensor om te detecteren of er iemand staat te wachten. Het duurt eventjes, maar de ruiter is content, kan even uitblazen.

    Zwoegend in een kleine versnelling en meer nat van binnen dan van buiten, naderen we Liefrange. Aan de overkant van het stuwmeer ligt Lultzhausen alwaar we zullen overnachten. Echter, waar is de brug? Ik spreek een oud koppel aan vraag de weg naar “Le Pont”. Een mengelmoes van Duits, Frans, Letzeburgs en gebarentaal maakt mij duidelijk dat ik over een aardeweg de dieperik in moet en daar een vlottende brug zal vinden. Is er een oorlog aan de gang?

    Ferus en bagage schuift bijna twee keer van de weg af en ik moet uit alle macht duwen om het stalen ros op het steile paadje te houden. Te Voet, a.u.b. En dan zien we het vlottende kleinood :

    Ferus weigert over te draven en dus doen we het te voet, het wiebelt wel erg doch op mijn schouder is het nogal rustig. Ik denk dat het Princessengeestje in slaap is gesukkeld. En ik binnenkort ook op deze plaats:

    En de Route du jour was als hier onder en we reden 52 km en deden er 4 uur over…

  • De kam van de … Ardennen

    In de herberg La Lustinoise te Lustin was het Princessengeestje bijna niet weg te krijgen: behaaglijk salonnetje, toffe madame en tot overmaat van ramp zat Judiths ziel mee te smikkelen bij het diner. Regelmatig hoorde je: “Maar blijf daar nu eens af…”

    We kregen uitgebreide richtlijnen van de herbergier over het traject dat we gepland hadden. Het zou een klimpartij worden als we de leuke wegeltjes zouden gebruiken. Langs de hoofdwegen zou het vlugger gaan maar naar een fietspad kan je daar fluiten.

    Zonder veel moeilijkheden bereikten we Ciney. Op 14 juli 2010, stormde het zo hard dat de torenspits er afwaaide en de huizen rondom beschadigde. Vandaag, bijna 16 jaar later staat de spits er weer op en komt dus weer overeen met het embleem van het lokale bier.

    Ferus en ik slaan het aanbod van het Judithzieltje af om bij een van de lokale afspanningen af te stappen. Neen, meiske, we moeten nog een eindje reizen vandaag. Even buiten Ciney, draaien we een wegje in en plots wordt er driftig op onze schouder getikt: alhoewel, Graaf van Vlaanderen, zou dit geen schitterend zomerpaleisje zijn? Hé Boudewijntje? En ze begint mijn oor te kietelen. Bijna bezwijk ik, maar Ferus wil absoluut voort en de kasteelhoeve van Haversin kan hem geen barst schelen… pruillip, ‘n halfuur stilte.

    Te Humain komen we in de buurt van het centrum voor radio-astronomie en een weerstation van het KMI te Ukkel. De schoteltjes staan netjes afgelijnd, geen idee welke vreemde ster ze nu weer aan het afluisteren zijn.

    Even verder zien we in de verte de rug van de Ardennen opdoemen. Zie je, Judithje liefje, waarom we in Ciney niet bleven hangen? Ferus moet wel volhouden, hé! Poeh, zegt ze, met mijn merrie Amandine zouden we er al lang geweest zijn. Tja, tegen zo’n logica zijn we niet opgewassen.

    Een paar mijlen verder, bij het verlaten van Hargimont, horen we weer kirrende kreetjes van bewondering. Wat heeft ze nu weer gezien? Weer een zomerpaleisje, misschien?

    Het kasteel van Jemeppe of kasteel van Hargimont dateert uit de 13e eeuw maar toen waren er maar een paar hutten of schuren in en rond de moerassen van het stroompje Hedree. Ondertussen is het eigendom van ene Sam Baro die blijkbaar ook eigenaar is van het team balletjestrappers KAA Gent.

    We trappen lustig voort langs Harsin naar Nassogne en Ferus’ hoefijzers zingen leuk over het asfalt dat er als een biljartlaken bij ligt. Het heeft toch wel veel invloed op de prestaties wanneer de ondergrond er gladjes bij ligt. De weg naar Nassogne laat je voelen dat de zwaartekracht soms een vervelend wijf is. Het stijgt langzaam tot ongeveer een hoogte van 400 m. We laven Ferus en spijzen het Princesje en de ruiter in Nassogne. We verzamelen de bagage en onze moed en draaien de weg naar de Barièrre de Champlon op. Over een afstand van 4 km moeten we 220 m stijgen, van 330 naar 550 m. “Maar” 5% zou je zeggen, maar het duurt wel 4 km en het deprimerende is dat je achter elke bocht verwacht dat het minder stijgt, doch, neen, mispoes! Maar dan komt het ongelofelijke gevoel dat je eindelijk over de rug van de Ardennen geraakt bent, daar is de Barrière de Champlon! Oef en Ferus is ook tevreden want bij de jeugdherberg heeft ie een eigen plaatsje.

    Het traject van de dag liep als volgt:

  • Naar de Maasvallei en … erover?

    De tocht van vandaag staat/stond in het teken van een geschikte weg te vinden naar de Maasvallei en dan vooral een plaats waar Ferus, het Princessengeestje en ik erover geraken. Doorwaden, vertellen de autochtonen en abten die we onderweg spreken, is niet mogelijk. In Biesme, een dorp dat al van zich liet horen in de merovingische tijd (7e eeuw) en afhing van de stift van St. Gereon te Keulen, vinden we niet echt veel volk om ons de weg te wijzen. De gierzwaluwen hebben anders veel pret zo te horen..

    We galopperen verder en even buiten Biesme trekt het Princessengeestje even aan mijn mouw ( neen, die ijzeren arm komt pas later 😉 ) : om ervoor te zorgen dat we geen pest opdoen onderweg, wil ze een kaarsje doen branden in de St Rochuskapel van Biesme. OK, allez, vooruit dan, en één kaarsje, hé, de dukaten groeien niet op onze rug.

    Het Judithgeestje trekt weer partij voor Ferus: “laat dat beest niet zou hijgen, een kleine versnellingske, jong, het is hier steil hoor! “ OK, OK, we stijgen stapvoets en op de hoogvlakte (ondertussen 260 m boven de zeespiegel) pauzeren we even en laten Ferus wat grazen. Even later wil ik vertrekken maar Ferus is niet weg te slaan van een merrie die nieuwsgierig komt snuiven. Allez, kom jong, sta niet te flikflooien en hou je hormonen wat in bedwang, we moeten nog ver.

    In Saint Gerard, vragen we raad aan de abt, doch de man is gaan vliegen. Een deel van de abdij van Saint Gerard de Brogne staat te koop en in een ander deel wordt er tegenwoordig bier gebrouwen. Maar aan een oversteekplaats voor de Maas kan men ons niet helpen. Zelfs niet in de St. Pieterskerk

    Na Saint Gerard, gaat de rit verder en plots gaat het steeds meer bergaf. We moeten Ferus behoorlijk in toom houden want op zo’n biljartlaken van een asfaltweg, roetsjt ie 45 à 50 km/u het dal in en plots staan we aan de oevers van de Machtige Maas.

    Nu is er een brug en je bent in een wip aan de overkant. Echter, wij middeleeuwers volgen de oever op zoek naar een overzet. Op het île de Champenoit vangen we bot, de kleingeestige eilanders doen alsof ze de continentale oevers negeren…”Vous êtes isolées”.

    Bon, we draven verder langs een leuk fietspad tussen hoofdweg en Maas en ontwaren in de verte nog een eilandje: île de Dave. We kloppen aan bij de heren van het kasteel Fernan-Nuñez of kasteel van Dave en na wat over en weer gediscussieer, blijken de eilanders van Dave inschikkelijker en zetten ons over tot groot jolijt van het Judithgeestje, doch Ferus is er niet gerust in. Hij heeft precies iets in het snotje.

    Eens aan de overzijde, zetten we koers naar een herberg, ons aangeraden door een booking-kantoor. Dan komt de aap – in casu Ferus – uit de mouw. De snoodaard had in de smiezen dat het weer klimmen en hijgen werd en wil alleen maar in de kleinste versnelling de berg op. 3 kwartier peddelen we met een snelheid van 7 km/u. En dan is er daar de herberg: vers stro en haver voor Ferus, het Princessengeestje nestelt zich behaaglijk in het kleine privé salonnetje. Ondertussen haal ik veer en perkament boven.
    De route van de dag:

  • Onderdak bij Lotharius

    Omdat alle bevriende graven, ridders en ander al dan niet geharnast middeleeuws gepeupel door Karel de Kale, mijn aanstaande en nog steeds boze schoonvader, verwittigd waren dat wij “en cavale” zijn, verlaten we Mons richting abdij van Aulne. We moeten ten oosten van de Schelde blijven, weg uit W-Francië want daar zijn we in de “ban” geslagen. In het koninkrijk Lotharingen zijn we iets meer op ons gemak.

    Tijdens het ontbijt in de auberge de jeunesse van Mons, worden we opgewacht door 50 Franse kinders tussen 7 en 9 jaar. We zijn plots bijzonder wakker door het olijke gekwetter.

    Voor het grootste deel van de dag, volgen we een “Ravel” (Randonné vélo), een fietspad langsheen afgedankte spoorlijnen. Ergens onderweg tussen Harveng en Harmignies worden we door Judiths geest erop attent gemaakt dat we een kruispuntje naderen dat eeuwen na onze vlucht van belang zal zijn: “ la belle Cathérine”. Door enige onoplettendheid nemen we een verkeerde afslag en belanden in Merbes-Le-Chateau, in plaats van in Erquelinnes.

    Grappige jongens, die Walen: de fietsroute passeert over bovenstaande, verlaten spoorwegbrug, doch een bordje waarschuwt dat de Samberbrug “dangereux” is. We zien karrevrachten sporen van fietsers en wandelaars, dus wagen we het er ook op: er gebeurt “niks, just niks”

    Een paar hijgbuien later – het waait nog steeds behoorlijk hard en de weg klimt – ontdekken we het paadje “l’ancien tramway”. Het loopt naar Montignies Saint Christophe. Dat nemen we natuurlijk, alleen al omwille van het feit dat die beddingen maximaal 1,5 percent stijgen, dat is normaal voor het trein en- tramverkeer, en je voelt amper dàt je stijgt. Ondertussen genieten we van het landschap rond de La Hannes rivier.

    In Strée of de buurgemeente Ragnies, zou een villa gestaan hebben van Lotharius II die Judith welgezind was. We zouden er kunnen onderduiken. Ferus en de geest van de Princes vinden er maar niks aan want zo bijzonder is deze “plus belle commune de Wallonië” ook weer niet…

    Net voor het bereiken van Strée, rijden we over de Chaussée Brunehault, weer een spoor van oude Romeinse weg. Het is aangenaam rijden, merk ik aan Ferus, want tussen de bomen waait het een pak minder. De ruiter glimlacht.

    Na een tamelijk woeste afdaling over zand en keien ( Ferus schreeuwde het uit van ongenoegen) belanden we bedolven onder het stof aan de abdij van Aulne. De lokale herbergier is blij ons te laven en een plekje voor Ferus te voorzien.


    De route van de dag was als volgt:

  • Door “berg” en dal?

    We halen Ferus van stal. Deze keer gromde ie van blijheid want gestald in een privé garage met alarm en code, sliep ie als een blok. Hij trekt nog steeds met zijn voorste hoefijzer, dus moeten we het kussentje een beetje bijpompen.

    Een van de correspondenten die met een ijlbode een bericht stuurde, dienen we hier van antwoord: kijk, we zijn wel degelijk in Tournai geweest. Een prentje van de kunstacademie en van het belfort en kathedraal, die men nog steeds! aan het oplappen is.

    We gebruiken de sporen ( geen gulden, da’s pas een paar eeuwen later) om Ferus aan te manen op het jaagpad langs de Schelde te blijven want de huidige zijwind doet ons scheef hangen, als waren we een zeilbootje. Het kasteel van Antoing is jammer genoeg “ strictement privé”: een teleurstelling daar we de weg rond het kasteel, een soort slakkenhuisgang maar dan met “kinderkopkes”, op fietsten in een super lage versnelling en bijna op het einde even op adem moesten komen. Even verder waait de geest van de Princes bijna weg, Ferus moeten we stevig mennen om op de weg te blijven want de wind blaast als een strakke bries. We spreken eerder van “wind en dal” dan van Berg en Dal…De vroegere molenaar was vast een pientere kerel, want op dit winderig plekje bouwde ie een molen…

    Van Antoing liep er vroeger een kanaal naar Pommerœul om de relatief kleine bootjes van 225 ton hun lading steenkool naar Vlaanderen te laten vervoeren. Koning Willem 1 die lange tijd na ons over de Vlaamse provincies regeerde was niet voor niets “nen ‘Ollander” : De Fransozen eisten behoorlijk wat tolgeld voor het vervoer van steenkool naar de Schelde via het kanaal Mons-Condé en dus bouwde Willem 1 een kanaal om dat te omzeilen (sic!). Een smak guldens en sluizen later, voeren de bootjes alleen over het grondgebied van de Verenigde Nederlanden en dat scheelde dus een hap op een kadetje 🙂

    Ter hoogte van Callenelle, vervoegen we het huidige kanaal Nimy-Blaton en peddelen langs het betonnen jaagpad. De provincie Henegouwen verdient hier de prijs van Het Slechtste Fietspad der Provinciën. Elke 4 meter liggen de richels ongelijk en foeterende Ferus en ik moeten lijdzaam een “petong-petong” syndroom ondergaan gedurende de volgende 20 km. De in kracht toenemende tegenwind zorgt ervoor dat we maar 13 à 15 km/u vorderen en massa’s transpiratie achterlaten op het wegdek.

    Ter hoogte van Blaton volgen we weer een stukje van het oude Hollandse kanaal en belanden pardoes in Le Marais de Harchies: een prachtig stukje natuur alwaar we uitblazen en ontdekken dat we een belangrijke weg van onze voorvaderen kruisen: de Heirweg van Bavay naar Velzeke. We hadden al zoiets in de smiezen vermits de weg Chaussée Brunehault heet en dat is meestal een indicatie dat de weg het tracé van een vroegere Romeinse Heirweg volgt.

    Ik moet Ferus en de geest van Judith overtuigen om het aangename plekje te verlaten en verder richting Mons te galopperen. Zoals gewoonlijk wanner het jaagpad ( hier “Ravel”) is onderbroken, is men plots lid van de Portugese luchtvaartmaatschappij TAP: “ Trekt A Plan”. Een vriendelijke, elektrisch voortgedreven Afrikaan, zet ons op de goede weg en blij zien we de torens van Mons opdoemen. De ontvangst in de jeugdherberg is wat ze noemen “chaleureux”… 🙂 l’Itineraire du jour was als volgt:

  • Afgeslacht en we trekken naar Doornik

    Ha, de “troepen” van de Karel de Kale waren maar een handje vol halfbakken ridders die we in een kort gevecht in de pan hakten. Na de overnachting bij een koppel heren met een andere “geloofsovertuiging” en waar Ferus voor het eerst buiten moest slapen (sorry, jongen), vatten we de reis naar Doornik aan.

    Onderweg kwamen we een ander slagveld tegen, of liever een verzameling graven van een ander treffen maar dan van een veel groter formaat. Het herinnerde mij aan een bezoek aan Tynecot cemetry. Rare naam maar de vlag dekt een andere lading: 7660 militaire slachtoffers…

    Het kerkhof bevindt zich te Souchez.

    Vooralsnog geen zandwegen maar voortreffelijke asfaltjes, tot groot jolijt van Ferus die zingend voortzoemde. Het plezier werd nog groter toen we pardoes een spiksplinternieuw fietspad vonden doorheen de bossen van Lievin op weg naar Lens. Veel gehoord en gelezen over het Louvre Lens museum. Via een leuk fietspad – Ferus kan zijn geluk niet op – belanden we op de grasvelden rond het museum waar we Ferus even laten grazen. Als mijn herinnering juist is, heeft een jonge, afgestudeerde architect van Knesselaarse origine nog mee aan de bouw van deze “blokkendoos” gewerkt. Hypermodern maar schoon…?

    We vatten de tocht weer aan via Pont à Vendin en Carvin. We vinden weer een leuk fietspad maar na een poosje merken we dat er buiten ons geen ander verkeer is. Tot overmaat van ramp vinden we aan de rechterzijde ongebruikte treinsporen en aan onze linkerzijde een afsluiting met om de 100 m een afgesloten poort. Bij één van die poorten vinden we een stukje afgescheurde omheining: bagage 1 voor 1 erdoor gewurmd, vervolgens Ferus die luid protesteerde en dan ik met een opspelend Princessengeestje.

    We peddelen door Carvin en de wegen worden zienderogen slechter: afbrokkelend asfalt, gebroken beton, ondeskundig opgelapte gaten,… Ferus protesteert andermaal en de ruiter ook. We pauzeren even aan de kerk

    Even buiten Carvin, proberen we weer een oud spoor van een Romeinse weg te volgen, doch Ferus en ik zijn het roerend eens: het is genoeg geweest met dat gebonk en gerammel en pijnlijke hoefijzers…

    Zoemend over beter asfalt, merken we een leuk paadje langsheen de Marais de Wartin en vermits de felle tegenwind ons parten speelt, pauzeren we andermaal. Geestje van Judith wou hier gans de dag blijven dagdromen en spelen, doch dat gaat niet zo maar.

    Doornik roept en vooraleer we de wind verder trotseren, bekijken we het kasteel van Cysoing, vroeger stond hier een abdij van Gisela, de zus van mijn aanstaande en woeste schoonvader, Karel de Kale. Doch de abdij is verdwenen en een saai kasteel verscheen.

    De weg naar Doornik wordt geteisterd door behoorlijk wat wind en we komen blij, doch afgepeigerd aan in Doornik. De kasseien of eigenlijk smerige keien van de Parijs-Roubaix wielerwedstrijd hebben we veiligheidshalve links laten liggen.

  • Even een veldslagje leveren

    Vermits de achtervolgende meute van Karel de Kale volgens de lokale bevolking toch nog een paar dagen achterop zit, vertrekken we “ de bonne heure”, zegge en schrijve 8 uur. Het traject is lang, Ferus ijverig en de geest van de Princes lijkt “ Kom op, schiet op, jong” te insinueren. De bossen en bomen zijn gereïncarneerd als windmolens. Ferus houdt van de wind in de snoet en zoemt lekker over het asfalt, de ruiter kijkt een beetje sip bij al die tegenwind…

    Op een gegeven moment, dalen we af naar de vallei van de Somme, het is er idyllisch en de geest van de Judith jengelt dat het niet meer mooi is, om even te pauzeren en de proviandmand te plunderen. We vlijen ons neer, geven Ferus wat zwarte haver en rusten.

    Na een poosje begint Ferus zenuwachtig te worden: we kramen op en vertrekken. Er ontspint een discussie:

    Judith: zeg manneke, niet te hevig, dat arme beest klimt zo vlug niet,

    Ik: Klimmen? Hoe kom je erbij?

    Judith: slimmeke, er staat daar een bordje “point de vue” langs het pad waar je Ferus op jaagt. Had gij nu gedacht dat dat naar beneden ging, of zo?

    Ik: euh…

    Judith: allez, vooruit, ‘t kleinste versnellingske , anders geraakt dat beest er nooit op!

    Even later aanschouwen we de Somme vanaf een respectabele hoogte.

    Judith: Zie je wel!. Ik: Jaja, ‘t is goed jong, zet u terug op mijn schouder, we draven verder. Dat ik je niet meer hoor, het eerstvolgende halfuur. Boze blik, pruillip.

    We verlaten de Sommevallei en worden alsnog begroet door tegenwind en massa’s windmolens.

    Even voorbij Bapaume, merken we dat Ferus een beetje begint te zwijmelen en ie reageert trager in het bochtenwerk. Nog een beetje haver? Hoofd schudt. Water? Geen reactie. Aha, de hoefijzers? Hevig gestamp Ok, we halen het pompje boven en voorzien het voorste hoefijzer van een extra kussentje lucht: terug op 4 bar gezet. Nu goed? Vrolijk gehinnik. We peddelen verder en ter hoogte van Hamelincourt, voel ik dat de Princes een beetje over en weer begint te schuifelen. Alhoewel niet echt een super fan van Bisschop Erpin, boezemt het geloof haar toch een beetje ontzag in en is ze toch nog steeds een beetje van een kerkuiltje. We houden halt en de Princes wipt even binnen, Ferus en ruiter versterken de inwendige mens.

    We doorkruisen Atrecht/Arras en draven voort naar Mont St Eloi. De inboorlingen vertellen in de lokale herberg dat Karel de Kale’s troepen nog een dagreis achterop zitten. Aan de abdij en op het veldje ervoor zullen we slag leveren en hopelijk kunnen we de achtervolgers in de pan hakken.

    Gezien de hoogte van deze heuvel, zullen we ze in de verte zien naderen. Ferus heeft er schik in en schudt een beetje zodat ons wapenschild duidelijk herkenbaar is. We wachten af, de princes zit ‘entre temps’ met een klein hartje en nagelbijtend op een bankje.

    De route van vandaag was als volgt:

  • Gentlemen, start your engine

    Eh, voilá, fix und fertig, zoals schoongrootvader Lodewijk de Vrome zou zeggen. De princes is uit de kerker geholpen, tenminste haar geest, en heeft zich behaaglijk op mijn schouder geïnstalleerd en maant lief aan om te vertrekken. Salut Senlis,

    Ferus en ik proberen de struikrovers en wolven van le Forêt de Chantilly te vermijden en na een paar stevige kuitenbijters en een pracht van een fietspad komen we, zoeven we (Ferus draafde 45 km/u in de afdaling) eigenlijk door Pont Sainte Maxence. Na het doorwaden van de Oise, peddelen we richting Blincourt, klein gehuchtje, maar memorabel voor Boudewijn en Judith.

    Eventjes het paard en berijder laven en dan galopperen we door een pracht van een landschap. De heuvels in de verte behoren tot le Forêt de Chantilly.


    In de vallei net voor Gournay-sur-Aronde, is Ferus niet temmen en huppelt vrolijk over een restant van een Romeinse/middeleeuwse weg, of tenminste de sporen van zo’n weg. De bagage en ruiter rammelen luid protesterend en de hoefijzers houden stand…

    Een boogscheut voorbij Canny-sur-Matz, vermeldt de stafkaart:” La route de Flandre, ancienne voie romaine”. Ferus die net over mijn andere schouder meekeek is het roerend eens met de geest van de Princes: dit is de juiste weg. Foeterend rijdt de ruiter gestaag doch hotsend en botsend over de keien tot in Crapeaumesnil. Het zacht zoemende asfalt aldaar is een verademing voor het zadel en wat erop zit…:-)

    En waarlangs heeft onze vluchtroute geleid? Je ziet het hieronder en te Roye kunnen we het paard afstoffen en verfrissen en de inwendige mens van de berijder van de nodige calorieën voorzien. De herbergierster is een schat van een mens en draagt goed zorg voor haar enige gast 🙂