Omdat alle bevriende graven, ridders en ander al dan niet geharnast middeleeuws gepeupel door Karel de Kale, mijn aanstaande en nog steeds boze schoonvader, verwittigd waren dat wij “en cavale” zijn, verlaten we Mons richting abdij van Aulne. We moeten ten oosten van de Schelde blijven, weg uit W-Francië want daar zijn we in de “ban” geslagen. In het koninkrijk Lotharingen zijn we iets meer op ons gemak.
Tijdens het ontbijt in de auberge de jeunesse van Mons, worden we opgewacht door 50 Franse kinders tussen 7 en 9 jaar. We zijn plots bijzonder wakker door het olijke gekwetter.
Voor het grootste deel van de dag, volgen we een “Ravel” (Randonné vélo), een fietspad langsheen afgedankte spoorlijnen. Ergens onderweg tussen Harveng en Harmignies worden we door Judiths geest erop attent gemaakt dat we een kruispuntje naderen dat eeuwen na onze vlucht van belang zal zijn: “ la belle Cathérine”. Door enige onoplettendheid nemen we een verkeerde afslag en belanden in Merbes-Le-Chateau, in plaats van in Erquelinnes.


Grappige jongens, die Walen: de fietsroute passeert over bovenstaande, verlaten spoorwegbrug, doch een bordje waarschuwt dat de Samberbrug “dangereux” is. We zien karrevrachten sporen van fietsers en wandelaars, dus wagen we het er ook op: er gebeurt “niks, just niks”
Een paar hijgbuien later – het waait nog steeds behoorlijk hard en de weg klimt – ontdekken we het paadje “l’ancien tramway”. Het loopt naar Montignies Saint Christophe. Dat nemen we natuurlijk, alleen al omwille van het feit dat die beddingen maximaal 1,5 percent stijgen, dat is normaal voor het trein en- tramverkeer, en je voelt amper dàt je stijgt. Ondertussen genieten we van het landschap rond de La Hannes rivier.


In Strée of de buurgemeente Ragnies, zou een villa gestaan hebben van Lotharius II die Judith welgezind was. We zouden er kunnen onderduiken. Ferus en de geest van de Princes vinden er maar niks aan want zo bijzonder is deze “plus belle commune de Wallonië” ook weer niet…


Net voor het bereiken van Strée, rijden we over de Chaussée Brunehault, weer een spoor van oude Romeinse weg. Het is aangenaam rijden, merk ik aan Ferus, want tussen de bomen waait het een pak minder. De ruiter glimlacht.

Na een tamelijk woeste afdaling over zand en keien ( Ferus schreeuwde het uit van ongenoegen) belanden we bedolven onder het stof aan de abdij van Aulne. De lokale herbergier is blij ons te laven en een plekje voor Ferus te voorzien.


De route van de dag was als volgt:

Leave a Reply